SAPPHOLOGIE

4e Editie 2000 KleÔs

In het huis
van een dichter
wil ik geen
klaagzangen
horen

Zeker niet hier
in het onze



Sappho was tijdgenote van onder andere Solon, Nebukadnezar en de profeet Jeremia.
Lesbos was in de zevende en zesde eeuw v. C. een welvarend eiland, rijk aan olijf- en
wijngaarden, graanvelden, zoutvlakten en beboste heuvels. Er bestond een levendige
handel met de steden aan de Klein-Aziatische kust en de eilanden in de AegeÔsche Zee
en zelfs met Egypte.




Strabo, in Geographia, schrijft:

"Lesbos had sinds oudsher beroemde mannen zoals Pittakos, een van de zeven wijzen,
de dichter Alkaios en zijn broer Antimenides. In dezelfde tijd bloeide ook Sappho, een
wonderbaarlijke verschijning. Want zolang als de menselijke geest ook maar werkzaam
is, is er in de dichtkunst, voor zover mij bekend, geen vrouw opgetreden, die ook maar
met haar kan worden vergeleken."

Sappho heeft Pittakos gekend en zij was goed bevriend met de eveneens in de Oudheid
beroemde dichter Alkaios, een feit dat we kunnen herleiden uit onder andere het volgende
fragment:


Alkaios






Sappho











.


Ik moet je iets zeggen
maar schaamte
weerhoudt mij




Als je hart alleen
maar verlangde naar
schoonheid en goed
als je tong niets
slechts beraamde

zou schaamte
je ogen niet
versluieren
en zou je openlijk
je gedachten weergeven


Helaas heeft haar volledige oeuvre de Middeleeuwen niet overleefd en blijft haar leven
in historische nevelen gehuld. Had men in de Oudheid nog de beschikking over haar
volledige verzen, die veelal geroemd werden om hun schoonheid en werden geciteerd
als schoolvoorbeelden van poŽtische verbeelding en grammaticale stijl, over haar leven
was niets met zekerheid bekend. Dit leidde meer dan tweeduizend jaar geleden al tot
een zekere mythevorming rond haar persoon, die vandaag de dag nog steeds vrijwel
de enige basis vormt voor onze biografische "kennis" van de historische Sappho.

Bijvoorbeeld, wat haar verschijning betreft, wordt wel het volgende beweerd:

"De schone Sappho, want het verheugt Socrates haar zo te noemen vanwege
de schoonheid van haar verzen, alhoewel zij klein en donker was."
Maximus van Tyre




Een commentaar uit de Oudheid zegt dat "Sappho lichamelijk slecht bedeeld
was, een nachtegaal met misvormde vleugels, in een tenger omhulsel."


Als bewijs werden soms de volgende versregels aangehaald:

Ik probeer niet
tot de hemel te reiken

Ik ben maar klein



De beste in het Nederlands verschenen introductie tot Sappho is het boek van de
Duitse Marion Giebel, Sappho (oorspronkelijke uitgave 1980, vertaald door Jaap en Keeske
van Rossum du Chattel; uitgeverij Kwadraat, 166 p., f. 19,90).
Het boek heeft een uitgebreide
bibliografie en een vrij groot aantal verzen, vertaald door verschillende vertalers.
P.C. Boutens beroemde vertaling van de Bede aan Aphrodite staat er integraal in afgedrukt.




In Vrij Nederland (14/8/93) besprak Wim Hottentot "[h]et in Duitsland regelmatig
herdrukte boekjeÖBeetje Duits en niet helemaal up to date, maar meestal
informatief voor de leek en niet onaardig voor de specialist."

Sapphologen lijken het liefst te strijden over het karakter van Sappho's seksuele
geaardheid. Was ze 't nou wel of was ze 't nou niet? In zijn boekbespreking hekelt
Hottentot Giebels mening in deze:


"Een enkele keer slaat Giebel met haar handtas om zich heen. Meteen in het
begin is het al raak: "Terwijl tot op heden geen bloemlezing van de westerse
lyriek het zonder haar gedichten kan stellen, is de belangstelling voor haar
persoon vaak verschoven van het Sapphische naar het lesbische en dikwijls
beperkt die zich zelfs daartoe. "Ik zou bijna zeggen: was dat maar waar.
Volgens mij wordt het lesbische meestal gebagatelliseerd en vroeger werd
het zelfs regelmatig ontkend.
De typische reactie is juist die van Giebel, die zegt dat het natuurlijk verkeerd
zou zijn om zich tot het lesbische te beperken, 'een thema (Ö) van ondergeschikt
belang' en blablablaÖ"




Hoewel het waar is dat sommige Victoriaanse filologen (o.a. Wilamowitz) Sappho's
homo-erotische trekken het liefst on(-der-)belicht lieten, niet onlogisch gezien de
tijdgeest, is het onzin te stellen dat het lesbische in Sappho werd of wordt
gebagatelliseerd. Haar homoseksualiteit is door de eeuwen heen de schijnbare
essentie geweest van haar 2.600-jaar oude reputatie en de reden voor de
regelmatige veroordelingen van haar verzen door de Rooms-katholieke kerk.
En vanzelfsprekend is de benaming lesbisch ook niet uit de lucht komen vallen.
De Atheense komedieschrijvers noemden haar een hoer, een thema dat blijft
opduiken in vijandige commentaren, en een woord dat blijkbaar een synoniem
was voor wat wij nu een lesbienne noemen.




Zelf hebben wij in onze begeleidende tekst het Lesbische in Sappho's werk willen
benadrukken door op de sociaal-culturele context van haar leven en werk te wijzen.
De Griekse maatschappij was geenszins uniform en de burgers van Lesbos, sterk
beÔnvloed door matriarchale culturen uit het zeer nabije Klein-AziŽ, hielden er vast
en zeker andere mores op na dan de Grieken van het vasteland. Zelfs eeuwen later
hadden Atheense (komedie-)schrijvers nog lol om Sappho en haar Lesbische tijd-
genoten en niet alleen om haar vermeende homoseksualiteit, maar ook om het feit
dat een Griekse vrouw Łberhaupt op de voorgrond trad en persoonlijke, vrouwelijke
gevoelens kon uiten, iets dat in de Lesbische cultuur normaal was.





Omdat we feitelijk zeer weinig weten over de persoon Sappho en alleen de
versfragmenten enige houvast lijken te bieden, komt het bij mij nogal voortvarend over
om haar met stellige verbetenheid een exclusief seksueel etiket op te plakken. En als je
dat dan doet op grond van haar verzen, die hier en daar getuigen van een grote
genegenheid voor haar vrouwelijke minnaressen/beschermelingen/leerlingen/zusters,
dan moet je ook concluderen dat haar verzen op Lesbos (en omstreken) "desondanks"
in goede aarde vielen en dat deze blijkbaar niet vanwege hun homo-erotische karakter
uitzonderlijk geacht werden, maar vooral geliefd waren om hun poŽtisch karakter en
de woordkeus
. Tenslotte zitten er bruiloftsliederen en hymnen bij, die toch een zeer
publieke functie hadden en die kennelijk ook zeer populair waren. Met andere woorden,
het lijkt me dat de aard van Sappho's seksualiteit voor haar cultuurgenoten geen moreel
probleem was en dat haar lyrische poŽzie de plaatsgebonden mores niet noemenswaardig
of schokkend overschreed.




Eťn van de meest belangrijke autobiografische details dat in haar verzen voorkomt,
staat in de versregels:

Ik heb een dochtertje
KleÔs
Een gouden bloem gelijk

Ik zou haar niet
willen ruilen
voor heel LydiŽ

Nee, zelfs niet
Voor het lieflijke Lesbos




Behalve de mogelijke verwijzing naar haar verbanning naar LydiŽ, is het fragment
belangrijk omdat het indirect verwijst naar een man in Sappho's leven, de vader van
KleÔs. Dat roept dan de vraag op wat deze relatie inhield. Werd Sappho ondanks
haar homoseksuele gevoelens door haar aristocratisch milieu "gedwongen" te
trouwen of ontdekte zij pas op latere leeftijd, bijvoorbeeld tijdens haar huwelijk,
haar lesbische geaardheid? Was ze bi? Of was zij misschien niet alleen de eerste
Lesbische dichteres, maar ook een van de eerste bom-moeders uit de geschiedenis?
Voordat iemand denkt dat ik Sappho's eventuele homoseksuele geaardheid wil
ontkennen of bevestigen, haast ik mij te schrijven dat dŠt zeker niet het geval is.
Maar de soms bijna ideologische discussie hierover beneemt enigszins het zicht
op de poŽzie zelf, die in de eerste plaats lyrisch is en vaak was bedoeld voor publieke
consumptie. Dat de oude Grieken zich anders uitdrukten dan de Batavieren boven
de grote rivieren behoeft geen betoog.

Moge dwaasheid
en smart
degene treffen
die
mij beschuldigt








In hoeverre dit openlijke en liefdevolle taalgebruik ten aanzien van (relatief jonge)
meisjes uitzonderlijk of gebruikelijk was in de Lesbische maatschappij lijkt mij
een vruchtbaarder discussie. Dus, wat hield "lyrieke Lesbische liefde" in die tijd
eigenlijk in? Hottentot vindt de contextuele vraag "principieel juist" maar Giebels
behandeling van dit vraagstuk wekt bij hem "irritatie op". Omdat zij, volgens hem,
voordoet alsof Sappho's passie voor vrouwen iets heel anders zou zijn geweest
dan wat wij onder vrouwelijke homoseksualiteit verstaan. Ik weet niet of dat wel
zo uitgesproken wordt, maar het is voor mij duidelijk dat seksuele vraagstukken
en definities in die tijd anders werden behandeld dan vandaag de dag. Onze
moderne, Westerse tendens om de capriolen van de menselijke geest met
stelligheid te willen benoemen en analyseren, kan leiden tot a-historische
oordelen die de complexiteit van het onderwerp en Sappho's tijdgeest geen
goed doen. Dat taal, zeden en gewoonten Ťn seksuele praktijken tijd- en
plaatsgebonden zijn, zal niemand ontkennen. In het catalogiseren van die
zeden en gewoonten moeten we altijd oppassen dat het geobserveerde niet
vertroebeld wordt door onze waarden en waarheden. Misschien kunnen we
ons allemaal vinden in de conclusie dat Sappho een stuk minder bekrompen
was dan velen toen en nu.

De al eerder aangehaalde Maximus van Tyre schreef tweeduizend jaar geleden:

"Als men de ene periode met de andere mag vergelijken was de liefde van de
schone Lesbische dezelfde als de liefdeskunst beoefend door Socrates. Het
lijkt me dat beiden er een zelfde soort van vriendschap op na hielden, hij met
mannen, zij met vrouwen; zij verklaarden allebei dat zij geboeid werden door
alle mooie mensen."


Maar het treffendst in deze vind ik nog steeds de uitspraak van Seneca:

"De taalkundige Didymus schreef vierduizend boeken. Ik zou hem beklagen als
hij alleen al zoveel waardeloze werken had gelezen. De lijst omvat verhandelingen
waarin hij discussieert over de geboorteplaats van Homerus, over de ware moeder
van Aeneas, over de vraag of Anacreon meer een losbol of een dwaas was, of Sappho
een hoer was en andere vragen waarop je de antwoorden zou moeten vergeten als je
ze al wist.
En dan klagen de mensen nog dat het leven kort is."



bibliografie